Skip to Content

Hoe groot is het probleem van kinderopvang nu werkelijk?

Hoe groot is het probleem van kinderopvang nu werkelijk? Het ministerie van OCW heeft een onderzoeksinstituut aan de slag gezet.

Achthonderdduizend kinderen konden vorig jaar terecht bij de professionele kinderopvang. Dat is achtmaal zoveel als tien jaar geleden. Toch is de vraag naar kinderopvang op veel plekken waarschijnlijk nog altijd groter dan het aanbod. De horrorverhalen daarover kent iedereen: ‘nog geen drie maanden zwanger en dan blijkt een plaats op de crèche al moeilijk te vinden’. De laatste onderzoeken daarnaar zijn echter twee jaar oud. Eind 2008 was de gemiddelde wachttijd voor de buitenschoolse opvang 180 dagen en voor de dagopvang 146 dagen, zo bleek destijds uit onderzoeken van de Nederlandse Mededingingsautoriteit (NMa) en SEO Economisch Onderzoek. De wachtlijsten waren het grootst en de wachttijden het langst in de provincies Noord-Holland, Zuid-Holland en Utrecht.

Maar hoe erg is het op dit moment en zijn de verschillen per regio nog steeds zo groot? Dat wil de Tweede Kamer ook weten. Daarom heeft het ministerie van OCW onderzoeksinstituut ITS van de Radboud Universiteit Nijmegen gevraagd onderzoek te doen naar de lengte en oorzaken van de wachtlijsten in de kinderdag- en buitenschoolse opvang. De uitkomsten uit het onderzoek moeten er onder meer voor zorgen dat ouders eerder kunnen inspelen op lange wachttijden. Volgens Frederik Smit van onderzoeksinstituut ITS die onderzoek leidt, is dat hoog tijd.

Gebrek aan overleg

‘De kinderopvang is de afgelopen jaren van een houtje-touwtje-industrie veranderd in een professionele branche waarin veel geld omgaat. Maar dat is niet terug te zien in de manier waarop de kinderopvangcentra communiceren met hun klanten’, zegt Smit. ‘Mensen schrijven hun ongeboren kind vaak in bij vier of vijf instellingen en krijgen dan uiteindelijk nog geen plek, zonder dat zij tussentijds inzicht hebben in de wachttijden. Daardoor kunnen zij hier niet of nauwelijks op anticiperen. Dit geldt zeker voor de grote steden.’

Het lijkt volgens Smit bovendien aan communicatie te ontbreken tussen de verschillende instanties die verantwoordelijk zijn voor kinderopvang. Gemeenten, woningcorporaties, schoolbesturen en kinderopvangcentra zouden veel beter kunnen samenwerken. ‘Bij het ontwikkelen van nieuwe woonwijken wordt er bijvoorbeeld totaal geen rekening gehouden met de noodzaak van kinderopvang.’

ITS gaat de komende maanden per gemeente in kaart brengen hoe het ervoor staat met de kinderopvang. In november moet duidelijk zijn waar de knelpunten zitten en hoe vraag en aanbod beter op elkaar kunnen worden afgestemd.

Uit: Intermediair 5-8-2010

Nog geen beoordelingen